Voorwoord uit ‘Klinkhamer. De biografie’

De biografie van Richard Klinkhamer die in 2004 verscheen, was een voorlopige biografie. Niet alleen omdat de hoofdpersoon nog leefde, maar ook omdat ik destijds niet alles over hem wist. Tijdens een van de gesprekken die ik met hem voerde, zei hij tegen me dat negentig procent van wat hij me vertelde de waarheid was – veel meer dan hij ooit aan iemand had prijsgegeven. De resterende tien procent wilde hij voorlopig voor zichzelf houden. Ik vond het prima. Negentig procent waarheid, dat leek me genoeg voor de biografie.

Klinkhamer heeft zijn hele leven nooit het achterste van zijn tong laten zien – niet in zijn boeken, niet in de media en ook niet tegenover justitie. Het is deze strategie die er mede voor gezorgd heeft dat hij ongeveer dertig jaar in de belangstelling heeft gestaan – vooral na de ‘verdwijning’ van zijn vrouw in 1991. In een van zijn eerste kranteninterviews uit 1983 zei hij al dat hij niet te veel over zijn verleden kwijt wilde: ‘Het is net een trui waaraan een draadje loszit. Dan gaan ze trekken en jij staat in je nakie. Laat ze maar nieuwsgierig worden.’

Ik bleef nieuwsgierig na de publicatie van mijn biografie. In de twaalf jaren die erop volgden, tot zijn dood in 2016, bezocht ik Klinkhamer regelmatig in zijn woning in de Jordaan en luisterde naar zijn verhalen. Soms bekende verhalen met nieuwe details, soms nieuwe verhalen met verrassende feiten. Hij vertelde over een paar kleine misdaden die nog niet eerder aan de orde waren gekomen, zoals een diefstal en een brandstichting. Ook drie grote leugens kwamen aan het licht, die in mijn biografie min of meer als waarheid gepresenteerd waren. Ze hoorden bij de tien procent die hij steeds verzwegen had. Daarnaast kreeg ik in de loop der tijd een ander idee over de doodslag op zijn vrouw. Zo bleef ik bezig met een project dat eindeloos leek: de reconstructie van Klinkhamers leven. Misschien hoopte ik wel dat ik op een dag alles van hem zou weten, honderd procent van de waarheid, zodat ik zijn definitieve biografie kunnen schrijven.

Natuurlijk heeft een biograaf nooit volledige kennis over zijn onderwerp, hoeveel feiten hij ook verzamelt. Niemand is in staat een ander volledig te doorgronden. En al helemaal niet als die ander Klinkhamer heet, een man die een pantser droeg en zelden liet zien wat daarachter zat. Een definitieve biografie is het daarom niet geworden.

Het schrijven van deze biografie heeft me grotendeels genezen van de romantiek van het kwaad. Misdaad en misdadigers worden dikwijls gemythologiseerd door mensen die ver van het criminele milieu afstaan. Of ze nu spreken over het kwaad als een metafysische kracht of de misdadiger als monster of duivel beschrijven, ze vertolken fantasieën die al eeuwenlang leven.

Gewoonlijk zijn het anderen die over de misdadiger schrijven en fantaseren, haast nooit treedt hij zelf als subject naar voren om zijn stem te laten horen. Hij blijft een schimmige figuur, een object waar we onze angsten en verlangens op projecteren, waar we onze ideeën over goed en kwaad aan ophangen. Als hij spreekt, dan spreekt hij gedwongen, tijdens een verhoor of in de rechtbank, en dan geloven we nooit helemaal wat hij zegt.

Klinkhamer eiste wel een stem op voor zichzelf – als dader en als schrijver. Door te schrijven en te spreken werd hij een subject, kreeg hij een gezicht. Zo kwam hij angstaanjagend dicht bij ons te staan. Met zijn ‘literaire moord’ drong hij het bewustzijn van de ‘nette mensen’ binnen, zoals Jean-Paul Sartre schreef over Jean Genet. Toen Woensdag gehaktdag in 2007 eindelijk verscheen, waarin hij vertelde over de doodslag op zijn vrouw, kochten zo’n 17.000 mensen het boek, lezers die gefascineerd naar zijn stem luisterden.

Ook mijn bewustzijn drong hij binnen. Mijn ideeën over misdadigers moesten plaatsmaken voor de indrukken die ik kreeg van een levend mens met al zijn tegenstellingen. Ik zag hoe goed en kwaad, vrijheid en onvrijheid, beschaving en primitiviteit, creativiteit en destructiviteit, slachtofferschap en daderschap, empathie en narcisme in één persoon verenigd kunnen worden. Tijdens het schrijven aan de biografie was ik dan ook niet in staat om hem in één beeld, één idee, één verhaal te vangen. Even onmogelijk bleek het om een simpele verklaring voor zijn daden te geven, zoals vaak is geprobeerd. Zijn karakter en zijn lot waren onontwarbaar verweven.

Dubbelzinnigheid doortrok Klinkhamers hele leven, van het Vreemdelingenlegioen tot de gevangenis. Zijn moeder liet hem in de steek, toch hield hij van haar en bleef haar verdedigen. Het Legioen was een ‘thuis’ en ook een ‘hel’. Hannie was zijn grote liefde, maar ze overleefde het niet. Hij wilde praten over zijn daad, maar niet bekennen. Hij wilde de gevangenis niet in en toch heeft hij niet al het mogelijke gedaan om uit de gevangenis te blijven. Hij had spijt, maar geen gewetenswroeging. Hij had de tijd graag willen terugdraaien om het anders te doen, maar zag het gebeurde ook als een noodlot.

Hij bleef ongrijpbaar tot het einde van zijn leven.

Klinkhamer. De biografie werd in februari 2017 gepubliceerd door Just Publishers. Meer informatie.