Moeilijk te geloven dat ik echt besta
over het verlangen naar zelfkennis

cover-moeilijk-te-geloven

Als we onverwachts met ons spiegelbeeld geconfronteerd worden, verbazen we ons soms over het vreemde wezen dat we zien. Het lijkt dan of ons uiterlijk niet aansluit op ons innerlijk.
In Moeilijk te geloven dat ik echt besta onderzoekt Martijn Meijer dit spanningsveld tussen binnenwereld en buitenwereld. Zijn ‘filosofisch narcisme’, zoals hij zijn zelfonderzoek noemt, werpt een verrassend licht op het ‘ik’ dat we allemaal op unieke wijze zijn.
Met zijn speelse essays begeeft Meijer zich in het gebied tussen filosofie en literatuur. Het gaat hem steeds om de vraag hoe het individu zich staande houdt in een onoverzichtelijke wereld. De eenling staat tegenover de mensheid, de geest tegenover de materie, de man tegenover zijn geliefde, de schrijver tegenover zijn werk. Allemaal proberen ze de vervreemding te overwinnen en één te worden met het andere, al is het maar voor een ogenblik.

‘Meijer is zichzelf op een intelligente manier tot niets aan het reduceren.’
Vrij Nederland

‘Meijer schreef een uiterst helder, sympathiek, vaak bevlogen en bijna overal fascinerend boek, dat de geduldige diepte ademt van (-) de Franse essayist Michel de Montaigne.’
NRC Handelsblad

‘Meijer schrijft op heldere, toegankelijke wijze en omdat hij grootse metafysische vragen op zijn eigen dagelijkse leven betrekt, is het vaak geestig en herkenbaar.’
de Volkskrant

‘Meijer komt tot boeiende, knap opgeschreven inzichten. (-) Wat me het meest beviel is zijn nauwkeurige, heldere wijze van formuleren.’
Filosofie Magazine

Fragmenten uit Moeilijk te geloven dat ik echt besta:

 

Carvaggio Narcissus

Carvaggio – Narcissus bij de bron

In de mens heeft het bewustzijn getriomfeerd, hij is ook rechtop gaan lopen om zijn gevoel van verheffing gestalte te geven, maar die triomf kan omslaan in een vloek als het zelfbewustzijn te zeer op zichzelf gefixeerd raakt. ‘Hij blijft zichzelf bekijken, onbeweeglijk blijft hij strak/ dat strakke hoofd aankijken, als een beeld van Parosmarmer’, schrijft Ovidius over Narcissus. Die tragische fixatie op zichzelf is prachtig verbeeld op het schilderij Narcissus bij de bron (1599) van Caravaggio. Een knappe jongeman zit gebogen over een waterpoel die zijn beeld weerspiegelt. Zijn armen, waarmee hij zichzelf lijkt te willen omvatten, vormen door de spiegeling een cirkel, alsof de schilder wilde suggereren dat Narcissus in een eindeloos proces van zelfreflectie gevangenzit, de repeterende lus van een auto-erotisch verlangen dat steeds op de onmogelijkheid van zijn bevrediging stuit. Ovidius: ‘Hij wordt door zichzelf behaagd en/ verlangt naar wie naar hem verlangt, door zijn eigen vlam ontvlamd.’ Nooit zal Narcissus zichzelf kunnen bereiken, laat staan dat hij zichzelf zal kunnen liefhebben, want hij zit gevangen in het standpunt dat hij inneemt. ‘O, kon ik maar van mijn eigen lichaam afstand nemen.’ Narcissus wil tegelijk zien en gezien worden, hij wil zichzelf zijn en tevens de ander die hem bemint, maar dat zal nooit gebeuren. Het enige wat hij kan doen is een beeld van zichzelf maken en daar eindeloos naar kijken, tot hij ‘in zijn eigen ogen wegkwijnt’, zoals Ovidius schrijft. Narcissus werd in de tijd van Caravaggio beschouwd als de uitvinder van de schilderkunst; alle narcistische kunstenaars zijn schatplichtig aan deze mythologische figuur.

(Fragment uit: Mijn jaren als genie)

Droste-effect

Droste-effect

Het ligt voor de hand oneindigheid in het oneindig grote te zoeken – in het heelal, in God, in het aantal zandkorrels op aarde, in het aantal haren op alle hoofden, in het getal π (pi), dat achter de komma eindeloos doorgaat. Toch treffen we de bodemloze ervaring van het oneindige vaker aan in het oneindig kleine, waar de Droste-blikken en de Babuschka-poppetjes naar verwijzen. Henri Michaux zegt het zo: ‘Het grote is de doodsvijand van het oneindige. Hoe kleiner het oppervlak dat je bekijkt, hoe makkelijker de oneindige fragmentatie plaatsvindt. De ruimte breekt, in punten, in steeds talrijker punten, hun deling neemt op fantastische wijze toe, de deelbaarheid kent geen grenzen: je bent er.’ Waar ben je dan, vraag ik me af. Het oneindig kleine is een punt dat zelfs aan de sterkste microscoop ontsnapt, een stip die alleen als idee bestaat, het idee van het oneindige dat in mijn hoofd, en nergens anders, opkomt wanneer de grenzen van de waarneming overschreden worden.

(Fragment uit: Het oneindige denken)

schatkist-2_21005463De spullen die iemand achterlaat na zijn dood kunnen veel vertellen over wie hij is geweest. Is het niet net een tweede lichaam dat je aflegt, je bezittingen? Ik kan me voorstellen dat sommige mensen zich niet interesseren voor wat er met hun stoffelijk overschot gebeurt, maar zich wel zorgen maken over de toekomst van hun kostbaarheden. En misschien ook wel over de toekomst van hun herinneringen.
Een deel van mijn geheugen heb ik al opgeslagen. Mijn jeugd bewaar ik in een schatkistje dat ik lang geleden met mijn vader heb gemaakt en waarin de schatten zitten die ik als kind heb verzameld. Als ik het deksel open, is het of ik mijn geheugen ontsluit. Ik vind een portemonneetje terug, een kleine rubberen haai, een Supermanpoppetje, een raceauto, een rubberen gifslang, een horloge, een zakmes, een medaille, een vergrootglas, een dobbelsteen, een schelp en nog meer dingen die het verleden tastbaar maken.
‘Het schatkistje bevat onvergetelijke dingen’, schrijft Gaston Bachelard in een essay over het geheime innerlijke leven van laden, kisten en kasten. ‘Het verleden, het heden, een toekomst zijn daarin samengebald. En zo wordt het kistje het geheugen, de gedachtenis van het onheuglijke.’

(Fragment uit: De schatkist van mijn geheugen)

M. Escher - Zelfportret in een globe

M. Escher – Zelfportret in een globe

Je kunt je eigen gezicht niet zien, tenminste niet zoals de anderen het zien. Als je in de spiegel kijkt zie je namelijk niet een van de gezichten die je opzet als je onder de mensen bent, je ziet alleen het gezicht van iemand die benieuwd is hoe hij eruitziet. Schopenhauer heeft hier een verklaring voor: ‘We kijken onszelf in de spiegel nooit anders dan met de blik recht vooruit en in verstarring aan, waardoor het zo veelzeggende spel van de ogen en daarmee ook de karakteristieke blik verloren gaat. Naast deze fysieke onmogelijkheid schijnt er ook nog een analoge, ethische onmogelijkheid in het spel te zijn. We zijn immers niet bij machte het eigen spiegelbeeld met de blik van vervreemding te bekijken die voor een objectieve beschouwing vereist is.’
De schilder van het zelfportret probeert het onmogelijke: zijn gezicht weer te geven alsof het aan een ander toebehoort. Als hij zijn vak verstaat komt de schilder een heel eind, maar het lukt hem nooit helemaal om zichzelf te objectiveren, want hij wordt gehypnotiseerd door zijn eigen blik, hij kan zich niet bevrijden van zijn ogen die hem onderzoekend aankijken vanuit de spiegel.

(Fragment uit: Het zelfportret als spiegel)