Foute man

covers-foute-man

Rogier is een player. Een ‘foute man’, volgens zijn ex-vriendinnen. En hij is er trots op. Terwijl de mannen om hem heen steeds zachter worden, doet Rogier zijn best hard en mannelijk te blijven. Tot hij Marieke ontmoet, een jonge schrijfster die hem op schokkende wijze met zichzelf confronteert. Voor het eerst in zijn leven wordt hij gedwongen zich af te vragen wie er verborgen zit achter zijn masker. Wie is de ware Rogier?
Foute man is een bijtende roman waarin de verwarring over de rol van de man in de huidige samenleving tot in het absurde wordt doorgevoerd. Martijn Meijer speelt een ironisch spel met de genres chicklit en ladlit en laat zijn licht schijnen op een tijdperk waarin de grens tussen privé en publiek steeds verder opschuift.

Over ‘Foute man’ schreven de kranten:

‘De draak stekend met chicklit en gedurfd maatschappijkritisch.’
Financieel Dagblad

‘Een grappig en intrigerend spel rond de verhouding tussen een schrijver en zijn personages.’
Het Parool

‘De schrijver schakelt soepel van pulp naar literatuur en terug.’
Provinciale Zeeuwse Courant

Fragment uit Foute Man:

 

Hoofdstuk 1

Ik weet het niet zeker, ik was er niet bij, maar ik stel me voor dat het allemaal zo is begonnen: Rogier de Jong die voor mannenmodezaak Oger stond, verdiept in de dassen en pakken in de etalage. Het waren prachtige donkergrijze en donkerblauwe pakken, slank gesneden en dubbelknoops, met een subtiele krijtstreep. Deze pakken werden in Napels op maat genaaid, zo had hij begrepen. Niet met machines maar handmatig – en zeg nou zelf, wie naaide vandaag de dag nog met de hand, behalve dan de Napolitanen? Naaien beschouwden zij als een kunst, die van vader op zoon werd doorgegeven. Naaien was precisiewerk; dat kon je niet aan vrouwen overlaten. Vrouwen konden een knoop aanzetten, zoals ze ook een pan spaghetti konden maken, maar als het op kwaliteit aankwam, dan moest je bij mannen zijn: alle kleermakers waren mannen, zoals alle koks mannen waren. Het was een mannenwereld, nog steeds, wat vrouwen ook beweerden.
Ik stel me voor dat Rogier op die manier in zichzelf stond te redeneren. Hij hield er ouderwetse opvattingen op na over mannen en vrouwen; dat heb ik begrepen van een aantal mensen die hem gekend hebben. Waarom wil ik me dan in zo’n figuur verplaatsen? Waarom wil ik het verhaal vertellen van iemand die duidelijk thuishoort in een ander tijdperk, of in een ander land waar de vrouw nog wordt gezien als het bezit van de man? Wij hebben niet voor niets de gelijkheid van de seksen in de Grondwet opgenomen en tot op grote hoogte in de praktijk gerealiseerd; opvattingen als die van Rogier kunnen we niet meer tolereren en eigenlijk zouden we ze strafbaar moeten stellen. Aan de andere kant kan het interessant zijn om dit karakter met al zijn gebreken te beschrijven, al is het maar om onszelf eraan te herinneren hoe gelukkig we mogen zijn met onze verlichte denkbeelden. Laten we hem dus het voordeel van de twijfel gunnen, laten we hem een tijdje volgen en kijken waarheen hij ons leidt.
Rogier staakte zijn mijmeringen toen de deur van de winkel openging en een heer naar buiten trad. Was dat niet de bestuursvoorzitter van ABN-Amro? Twee tassen werden achter hem aan gedragen, naar de auto met chauffeur die verderop met draaiende motor stond te wachten.
Oger dicteerde de stijl. Een paar jaar geleden waren het de dikke krijtstrepen geweest en de das met de machtige knoop, nu zag je overal de net iets te korte broekspijpen, zodat de Italiaanse schoenen daaronder goed uitkwamen. Oger was zijn toekomst. Smachtend keek hij uit naar de dag dat hij, met voldoende cash op zak, de winkel zou betreden. Niet schuchter, maar met hoge borst, fluitend. Tot die tijd bleef hij buiten staan. Binnen lieten de mannen uit het vastgoed, de politiek en de advocatuur zich een pak aanmeten door jonge verkopers met linten en latten, onderwijl nippend van een glaasje champagne. Niet alleen de topman, ook de overmoedige sollicitant, de beursbengel en de aspirant-makelaar konden er terecht. Een nobody werd hier omgevormd tot een somebody. Als horige kwam je binnen en als heer weer buiten. Een nieuw pak kon het professionele leven drastisch veranderen. Een goed pak moest succes uitdrukken en tot nieuwe successen leiden. Wat bleef er eigenlijk over van een man zonder een pak aan zijn lijf?
In Oger trof je niet de geplakte confectiepakken van vertegenwoordigers en autohandelaren. Dit waren de pakken voor het bovenkader, het management, de movers en de shakers. In de nabije toekomst zou Rogier ook tot die elite behoren, dat stond vast. Binnen enkele jaren zou zijn carrière een grote vlucht nemen. Een plaats in de Quote 500 zou hij zeker behalen. Hij was voor het succes bestemd, genetisch en psychologisch. Met de krachtige fysiek van een leidersfiguur en de nietsontziende wil om te slagen was hij geknipt voor een rol als dictator binnen het bedrijfsleven. Dacht hij.
Wat zou zijn vader trots op hem zijn! En zijn grootvader! Al die generaties voorgeslacht vonden hun bekroning in zijn luisterrijk leven; alsof zij slechts gewerkt en geleefd hadden opdat hij hier in de P.C. Hooftstraat kon staan.
Glimmende Mercedessen en vervaarlijke Hummers reden deze zaterdagmiddag traag door de straat. Hoogblonde vrouwen trippelden met volle tassen over de stoep. Rogier had alleen oog voor de etalage: hij bewonderde de etalagepop met zijn donkerblauwe pak en hij bewonderde zichzelf, want in de ruit zag hij ook zijn gestalte weerspiegeld. Een jongeman van achtentwintig met een gespierd bovenlichaam (twee keer in de week bezocht hij fitnesscentrum Splash), blond haar en blauwe ogen; helemaal het type van de edelgermaan zoals die zestig jaar eerder op propagandaposters figureerde. Ik zie hem zo voor me, marcherend in een fraai uniform. De Waffen-SS zong het al, onderweg naar het slagveld: ‘Schön ist es, Soldat zu sein.’
Maar soldaat zijn was hem te min. Een generaal waande hij zich die middag, of een koning. Koning van het Universum; niet omdat hij een bijzondere prestatie had geleverd, maar gewoon, omdat hij een man was in de kracht van zijn leven.
(Slechts zijn ogen verraadden dat hij nog niet rijp was, nog niet genoeg tegenstand had ontmoet, maar daar zou snel verandering in komen.)
Rogier droeg een intellectualistisch ribfluwelen colbert, dat contrasteerde met zijn gifgroene T-shirt en gebleekte spijkerbroek. Een intellectueel kon je hem echter moeilijk noemen. Zijn verstand bewees hem goede diensten waar het praktische zaken betrof – hij was een handige belegger en een sluwe pokeraar – en hij kon over alle onderwerpen een beetje meepraten, maar in laatste instantie bleven politiek, wetenschap en cultuur hem wezensvreemd. Deze jongeman interesseerde zich alleen voor wat hij met zijn eigen leven in verband kon brengen: kort gezegd alles wat zijn banksaldo vermeerderde en hem een erectie bezorgde. De studie Bedrijfskunde had hij met gemak voltooid, zonder in enig onderdeel uit te blinken.
Wie was hij dan werkelijk? Zo’n vraag zou Rogier zichzelf nooit stellen: hij dacht weinig over zichzelf na, hoe vaak hij ook voor de spiegel stond. Hij koesterde een welbehagen in zichzelf en zijn rol in de wereld, zodat zijn neiging tot zelfreflectie gering was, maar als je zijn vrienden gevraagd had om Rogier in één woord te definiëren, dan hadden ze meteen gezegd dat hij een player was.
Anders dan de pimp, een figuur die met misbruik werd geassocieerd en met een slechte kledingsmaak, was de player een charmeur. Waar de pimp niet aarzelde om geweld te gebruiken tegen de ho’s onder zijn beheer, probeerde de player zijn goede manieren onder alle omstandigheden te behouden, hoe genadeloos hij ook te werk ging. Een fluwelen duivel was hij, de player. Het woord zei het al: hij speelde met vrouwen, hij schoof ze heen en weer als pionnen in een solitair spel dat ter verheerlijking van zijn ego diende, geen andere gevoelens toestond, geen tederheid en zeker geen liefde – een verboden woord in zijn vocabulaire. De player had zijn kansen gespreid, hij wedde op zo veel paarden dat een verliesje hem onverschillig liet, een winstje hem slechts een kortstondig genoegen bezorgde. En vrouwen vielen voor hem, juist dankzij zijn reputatie, want zijn slechte naam was zijn kapitaal.
Een foute man heette dat in goed Nederlands. Het soort man dat je beter kon vermijden. Sommige vrouwen vielen juist op een foute man omdat ze nieuwsgierig waren naar de kunsten waarmee hij zo veel andere vrouwen had verleid en in het verderf gestort. Anderen omdat ze hoopten hem te bekeren, de foute man in een goede vent te veranderen. Ten slotte waren er nog de vrouwen die, omdat ze beschadigd waren in hun jeugd of omdat ze zelf aan ‘bindingsangst’ leden, op noodlottige wijze mannen uitkozen waar ze opnieuw het slachtoffer van zouden worden.
Iedere vrouw, zo wist Rogier, probeert haar man te dresseren. De Natuur had deze neiging in haar geprogrammeerd; het was immers beter als de man er na de bevruchting niet spoorslags vandoor ging, maar nog een tijdje in de buurt van het nest bleef, liefst een aantal jaren, zodat hij een bijdrage kon leveren aan de zorg voor zijn nakomelingen. (Als hij een verklaring zocht voor menselijk gedrag, greep Rogier vaak terug op zijn bescheiden kennis van de evolutionaire biologie.)
De meeste mannen lieten zich maar al te graag temmen, als ze al niet tam van zichzelf waren. Hij niet! Hij, Rogier de Jong, was geboren voor het spel, de flirt, de jacht op wijfjes; hoe jammer was het daarom dat zo weinig vrouwen partij boden. Als hij een café betrad of op een feest verscheen en nieuwsgierige blikken op zich voelde rusten, dan had hij zijn slachtoffers voor het uitkiezen; hertjes waren het, die zich met trillende neusvleugels neervlijden aan zijn gelaarsde jagersvoeten. Of, om een andere diersoort te nemen: geitjes, die willens en wetens in bed kropen bij de boze wolf. Maar wat is een wolf nog, als hij zijn bed niet eens uit hoeft, en wat is een jager nog, als hij zijn geweer niet eens hoeft te laden? Rogiers gave was een vloek gebleken: het versieren ging hem te makkelijk af, het begon hem te vervelen. De laatste tijd hield hij de meisjes op een afstand. Er moest een grotere uitdaging zijn, of anders hoefde het niet meer.
De levensvreugde die op deze middag door zijn lijf bruiste, het effect van een lichte kater, zou over enkele uren verdwenen zijn. Gewoonlijk verviel hij dan in melancholie – of zou het deze keer anders zijn, zou de zonde onbestraft blijven? Hoeveel bier had hij gisteren helemaal gedronken, zeven of acht? Hij wist het niet meer.
Op de laatste werkdag van de week trof hij Joost en Huib ’s avonds in de Weber; die kroeg werd na middernacht een meatmarket waar zowel de beginnende als de ervaren versierder zijn slag kon slaan. Joost was zijn beste vriend, ze kenden elkaar sinds het begin van hun studententijd. Een berucht duo waren ze geweest: ze zopen om het hardst, hadden een grote bek en voerden eeuwig strijd, met vrouwen als voornaamste inzet. Ze waren aan elkaar gewaagd, in kwantitatief opzicht tenminste, want Joost, die een tikje vadsig was, joeg op de minder mooie exemplaren, uit de b-categorie zogezegd, terwijl Rogier zich uitsluitend op de a-categorie richtte. (Daarom waren ze nooit kutzwagers geworden – een bijzonder moment in elke mannenvriendschap.) Ook de c- en d-categorie ging Joost niet uit de weg, hij vergreep zich gewoon aan elke vrouw die hij kon krijgen, ongehinderd door enige esthetische gevoeligheid. Als er maar een gat in zat – dat was de standaard van zijn smaak, die dus zo breed was dat de gehele volwassen vrouwelijke populatie erdoor omvat werd. Joost was een dog, zoals dat heette in de taal van de straat; hij behandelde vrouwen als lantaarnpalen, hij piste tegen ze aan en liep daarna rustig verder. Ja, hij was werkelijk honds, zoals hij steeds op de onmiddellijke bevrediging van zijn behoeften uit was, zoals een hond zich likt en krabt wanneer hij wil, zonder schaamte. (Hij ging er prat op dat hij zich dagelijks tweemaal aftrok en tekende dat ook aan in zijn agenda: een kruis voor iedere rukbeurt en, zeldzamer, een uitroepteken als hij een vrouw veroverd had.) Maar wat je verder ook van hem kon zeggen, Joost was een hondstrouwe vriend.
Het lag minder voor de hand, dat Joost weer bevriend was met Huib – een magere en bedachtzame jongen, zo voorkomend tegenover vrouwen dat hij nooit iets bij hen klaarspeelde. Rogier vond Huib een nerd: hij had zelden een goed verhaal te vertellen, maar bracht wel altijd het een of andere boek ter sprake, terwijl hij wist dat Rogier en Joost dat toch niet gelezen hadden. Ergerlijk waren zijn pogingen om in fraaie volzinnen te spreken, alsof hij een rol vervulde in een toneelstuk. Rogier en Joost konden tenminste zichzelf zijn, zij hoefden zich niet achter mooie woorden te verschuilen. Huib had het over ‘dames,’ als zij het over ‘meisjes,’ ‘chicks’ of ‘wijven’ hadden. Die jongen dacht blijkbaar dat hij heel wat was, of heel wat zou worden, als zijn tijd zou aanbreken.
Rogier had Huib ten slotte toch geaccepteerd als vrijdagse kroegmaat. En nu kon hij hem niet meer missen, want hij had gemerkt dat Huib het driemanschap een onschuldig voorkomen verleende: met zijn brave gezicht neutraliseerde hij de agressief-seksuele uitstraling van Joost en het player-imago van Rogier. Vrouwen waren daardoor minder bang het groepje te benaderen.
Nog steeds onbeweeglijk voor de etalage stond hij, evenzeer het spiegelbeeld van de pop als omgekeerd. Hij moest glimlachen toen hij dacht aan het jaarclubje dat gisteravond, met identieke roze sjaals en witte kniekousen, de Weber was binnengekomen. Charlotte, Sanne, Claire, Jasmijn en Beverly, bijgenaamd Bef – hij verzon maar wat. Het waren vijf meisjes die van een afstandje gezien wel gekloond leken, zo blond, gebruind en vrijmoedig als ze waren. De mannen kauwden op hun biertjes en staarden naar de vijf die zich als poezen door het overvolle café wrongen.
Hij had een stille triomf beleefd: zijn blik werd beantwoord met vier glimlachjes. Vier maar? Ja, want één van de vijf meisjes bleef strak voor zich uit kijken. Ook in een ander opzicht week zij af van de anderen: haar gezicht werd ontsierd door een groot litteken, van een brandwond misschien, een gebrek dat slechts gedeeltelijk door haar grote borsten gecompenseerd werd. Een lok haar bungelde voor de plek, maar vestigde er juist de aandacht op – als je het litteken had opgemerkt, dan zag je niets anders meer, moest je wel blijven kijken naar de rode, geribbelde streep die van oor tot kin liep, verzacht door make-up en toch onmiskenbaar aanwezig.
Hij bestudeerde het meisje, dat met opgetrokken schouders naast haar vriendinnen stond; het was duidelijk dat ze liever onzichtbaar wilde zijn, zodat er niet over haar geoordeeld kon worden. Tot zijn eigen verbazing vond hij haar aantrekkelijk, het litteken verleende haar een zekere exclusiviteit, als je met welwillende ogen naar haar keek tenminste – ze was niet inwisselbaar, zoals de mooie meisjes die in het café aanwezig waren. Misschien lag hier de oplossing voor zijn probleem, de verveling die zijn liefdesleven aantastte – dat hij meer aandacht zou ontwikkelen voor wat niet onmiddellijk zichtbaar was, voor wat zich onder de oppervlakte van het uiterlijk bevond, of dit nu een mooi uiterlijk was of niet. Hij hoopte dat het meisje hem een blik zou gunnen, dan zou hij kunnen raden wat er in haar omging.
Ze draaide een halve slag en toonde Rogier de goede kant van haar gezicht. Hoe mooi zou ze zijn na plastische chirurgie, mooier dan haar vriendinnen, want zij zou karakter bezitten, gevormd door haar esthetisch leed dat ze ten slotte had overwonnen; meisjes die altijd mooi waren geweest en veel complimentjes hadden ontvangen, vond hij vaak zo karakterloos. Ze kon natuurlijk ook door rancune verteerd worden en ervan dromen om haar vriendinnen met zoutzuur te verminken, maar dat wilde hij niet geloven. Hij achtte zichzelf een groot vrouwenkenner en bij dit meisje bespeurde hij een zuiver hart, dat klopte voor alles wat goed en oprecht was.

Hoe zit dat nu, is Rogier dan toch meer dan alleen een meedogenloze player? Heb ik op de vorige pagina’s te snel een oordeel gevormd op basis van oppervlakkige indrukken? Zou Rogier zo’n zeldzaam figuur zijn dat het ene moment vulgair uit de hoek komt en het andere moment diepzinnig?
Dat zijn moeilijke vragen, waarop ik het antwoord nog niet weet. Wat ik wel kan verklappen, is dat in deze jongeman een potentieel verborgen zit – een potentieel waar hij zelf nog geen weet van heeft, dat aangeboord moet worden zodat het zich vervolgens zal kunnen verwerkelijken. En wie is er geschikter voor die taak dan iemand die over een rijke verbeelding beschikt – iemand zoals ik dus?

Terwijl Rogier zich in sentimentele bespiegelingen vermeide, zag Joost een perfect slachtoffer in het getekende meisje. Bij haar zou hij ongetwijfeld een kans maken en bovendien was hij was dol op grote borsten; hoe de rest eruit zag kon hem minder schelen. Eénmaal had hij een klassieke uitspraak gedaan, in een oudheidkundig museum in Parijs nota bene, waar hij met Rogier naar een beeld van een naakte jonge vrouw stond te kijken, een zwaar gehavende Aphrodite zonder hoofd en zonder armen: ‘Een lichaam zonder hoofd is verleidelijker dan een hoofd zonder lichaam.’
Joost had soms zijn momenten. Als het ware buiten zichzelf verkerend deed hij dan zo’n orakelachtige uitspraak. Bijna geniaal, met de nadruk op bijna, was ook zijn uitvinding van de ‘neukkaart’, een soort strippenkaart voor het geslachtsverkeer. Het was louter een idee, je kon er bij het GVB vergeefs om vragen, maar volgens Joost was er ‘absoluut een markt voor’. Hij had het principe al vaker uitgelegd: zolang je nog strippen had op je neukkaart mocht je op iedere vrouw van je gading afstappen. Als je je kaart had laten zien, moest zij die wel afstempelen en je de gevraagde service verlenen. Het was welbeschouwd een systeem van gedwongen prostitutie dat geen enkele vrouw zou accepteren, maar dat besefte Joost niet. Hij koesterde blijkbaar de verwachting dat hij met zijn uitvinding het monopolie op seks kon doorbreken, dat al sinds mensenheugenis bij het andere geslacht lag.
Joost knipoogde naar zijn twee vrienden en stevende op het meisje af. Rogier dronk zijn glas leeg; het werd tijd om naar huis te gaan.
‘Dat feest morgenavond!’ toeterde Huib in zijn oor. ‘Je gaat toch nog mee?’
‘Ja hoor. En Joost dan?’
‘Die kan niet. Er zijn leuke dames aanwezig hoor…’
Het was al de derde keer dat Huib over dat feest begon. Rogier begreep er niets van. Ze lagen elkaar niet, hij en Huib. Ze tolereerden elkaar. En nu moest hij met alle geweld mee naar het feest van een of andere vriendin. Een verjaardagsfeest; dat beloofde weinig goeds. In het ergste geval verzeilde je in een gesprek met een oma of een beschonken oom. Zat je een verjaardagsliedje te zingen en een muf gebakje te eten. Hij kon maar het beste laat arriveren en vroeg weer weggaan.
Rogier vermoedde dat Huib goede sier met hem wilde maken. Iets van zijn glans moest op hem afstralen. Een mooi duo zouden ze zijn. Huib was precies zo’n klein visje dat meezwemt met een grote haai om de restjes op te peuzelen. Pathetisch was het, en vleiend, niettemin.
‘Jij zorgt wel voor een cadeautje, toch?’
Huib knikte.
Rogier begreep dat Huib literaire ambities had. Hij zat op een schrijfcursus samen met een stel andere kneuzen. Hoe kwam het toch dat jongens die nooit iets meemaakten altijd schrijver wilden worden? Rogier bracht alleen respect op voor mannen die het volle gewicht van de ervaring op hun schouders voelden, mannen van de wereld dus. Armzalig was daarbij vergeleken de afzijdigheid waarin jongens als Huib moesten opereren, de stilte waarin alleen het ratelen van een toetsenbord klonk. Ze stonden erbij, ze keken ernaar, maar waren niet in staat eraan deel te nemen. Triest toch?
Hij had Huib eens gevraagd of hij liever een roman zou publiceren of een nacht doorbrengen met een mooie vrouw, het soort vrouw dat normaal gesproken niet eens in zijn buurt kwam. Zo’n vrouw als de jongens in de film Weird Science op de computer in elkaar geknutseld hadden, een supervrouw samengesteld uit de mooiste onderdelen van Bridget, Katja, Wendy, Sophie en Chantal. Huibs antwoord had Rogier niet verrast. Wat een hopeloze flikker.
Joost was gisteravond op dreef geweest: hij fluisterde in het oor van het getekende meisje en kneep in haar arm om zijn woorden kracht bij te zetten. Hij was ongetwijfeld aan een mooi verhaal bezig. Het verhaal was zijn aas. Als een meisje toehapte en tot de pointe bleef bengelen, dan kon hij haar zo binnenhalen. Een bullshit-artist noemde je zo iemand.
Welk verhaal zou het deze keer zijn? Rogier kende zijn repertoire. Misschien ging het over die keer dat Joost in de Bijlmer een Afrikaanse medicijnman had bezocht? Zo’n dokter uit de rimboe, een ‘groot en beroemd medium en helderziende,’ die met briefjes in de brievenbus adverteert. Hij beloofde steevast ‘direct resultaat binnen 24 uur’ bij het oplossen van ‘zelfs de meest hopeloze problemen: terugkeer van de partner, lichamelijke en morele kwalen, zaken, impotentie, examenvrees, familieproblemen, bescherming tegen gevaren en het noodlot’.
Joost had om een afrodisiacum gevraagd. Dat kostte hem honderd euro. De medicijnman overhandigde hem een crème, die hem dierlijke kracht en grenzeloze potentie zou verlenen. Thuis opende hij het potje; de stank sloeg hem in het gezicht. Zijn nieuwsgierigheid won het van zijn weerzin: hij deed zijn broek naar beneden en bracht het bruine smeersel aan, met een extra klodder op zijn kloten.
Na een halve minuut trok een branderige sensatie door zijn onderlijf. Zijn lid werd stijf; het leek of hij een stuk hout vasthield. Een fantastisch resultaat, maar na een half uur begon het te irriteren, deze toestand van priapisme – vernoemd naar Priapus, Romeinse god van de tuin- en wijnbouw, vee- en bijenteelt, en gezegend met een permanente erectie. Maar wat goed was voor Priapus, was nog niet goed voor Joost. Hij werd duizelig en was bang dat hij van zijn stokje zou gaan; het leek of al zijn bloed zich in de zwellichamen had verzameld. Koud water hielp niet. Ook een foto van zijn moeder bracht geen verslapping. Hij rukte en kwam tot niets.
Toen ging de bel. Het was de meteropnemer. Joost stond op het balkon, met een handdoek over zijn vlaggenstok, en schreeuwde naar beneden: ‘Twintig centimeter! Kom het maar nameten!’
Of zou hij dat andere verhaal aan het meisje vertellen, over zijn ontmoeting met Pim Fortuyn? Dat was voor Fortuyns politieke carrière geweest, toen hij een columnist was en zijn rechtse meningen nog niet salonfähig waren. Op een borrel raakte Joost in gesprek met de man, die een beetje verloren rondliep, en na luttele minuten kwamen ze al tot de kern van de zaak, toen hij vroeg: ‘Wanneer gaan we neuken?’
‘Het is geen kwestie van wanneer,’ had Joost geantwoord. ‘Of we überhaupt gaan neuken, dat is de vraag.’
‘Nou?’
‘Niet dus.’
Een paar jaar later, toen Pim de Verlosser gekruisigd was, betreurde Joost het dat hij niet op het voorstel was ingegaan. Hij had nog steeds geen homoseksuele neigingen, zei hij, maar Fortuyn was zijn held geworden – Joost had zelfs een postume stem uitgebracht op de LPF. En verdomme, hoeveel mensen konden beweren dat de Grootste Nederlander Aller Tijden in hun reet had gezeten?
Nee, het moest een ander verhaal zijn, een gevoelig verhaal: de ogen van het meisje werden al vochtig, ze begon te smelten.
‘Politiek heeft mijn jeugd kapot gemaakt,’ hoorde hij Joost zeggen. ‘Liefde en politiek, dat is een verschrikkelijke combinatie.’
Aha. Dit was een classic. Het huwelijk van de ouders van Joost was jaren geleden verscheurd geraakt door het Israëlisch-Palestijns conflict. Hoewel het gezin een comfortabele villa in Wassenaar bewoonde, leek de sfeer soms op die in de Bezette Gebieden. Zijn moeder had na genealogisch onderzoek ontdekt dat er een paar procent Arabisch bloed door haar aderen stroomde en zich onmiddellijk solidair verklaard met de Palestijnse zaak. Voortaan deed ze een PLO-sjaal om als ze boodschappen ging doen bij de traiteur. Maar dat was niet het ergste: ze hing een poster van Yasser Arafat voor het raam. Voor de vader van Joost was de maat vol: zijn tandartspraktijk leed eronder, patiënten liepen bij hem weg. Na de zoveelste ruzie vluchtte moeder het huis uit.
Vader was aan de drank geraakt en uiteindelijk in de badkuip verdronken. (Dat laatste was niet waar, de man was een keer met zijn dronken kop en zijn kleren aan in het bad gaan zitten, maar dat was niet dramatisch genoeg, vond Joost.) En hij, een halve wees, achttien jaar oud, slachtoffer van het Israëlisch-Palestijns conflict, had toen gezworen zich nooit in politieke controverses te mengen. Want, zei hij, ‘liefde gaat voor politiek, overal en altijd’.
Het meisje knikte enthousiast.
‘Sta jij open voor de liefde?’
Ja, ze stond open voor de liefde. Ze stond op dat moment overal voor open; ze had zich gewonnen gegeven. Hulpeloos bungelde ze aan zijn haakje en dacht waarschijnlijk dat deze jongen, die zo sensitief leek, dwars door haar litteken keek en haar innerlijke schoonheid waarnam. Of wilde ze gewoon een beurt?
Valse romantiek of simpele driften – het was het één of het ander. Je hield elkaar voor de gek, dat noemde je dan liefde. Of je neukte elkaar suf, zonder er illusies op na te houden. Zo keek Rogier er tegenaan. Inderdaad, hij was nooit verliefd geweest, had zichzelf nooit verloren in een ander, kende die waanzin niet, die cocktail van verlangen, euforie, gemis. Een schrijver heeft eens gezegd dat er een leemte in de schepping zit waar god, als hij bestaat, mooi in zou passen. In het leven van Rogier zat ook zo’n gat – alleen had het de vorm van een vrouw, de vrouw waar hij eindelijk verliefd op zou worden. Als ze bestond tenminste.
Joost had zijn jas aangetrokken. Het meisje nam afscheid van haar vier vriendinnen. Hij grijnsde naar Rogier en schokte met zijn heupen.
Was dit grappig? Rogier wist niet meer wat grappig was, of alleen maar gênant. Dus lachte hij. Met gemengde gevoelens zag hij hoe het nieuwe paartje het café verliet; Joost duwde haar ongeduldig voor zich uit.
Hoe lang moest hij hier nog blijven staan?
‘Ik ga.’
Huib keek beteuterd. ‘Vergeet je morgenavond niet?’