Er valt hier niets te zien

Het licht in de kamer aan de overkant blijft iedere avond urenlang branden. Toch zie ik er nooit iemand. Ik heb het idee dat er iets geheimzinnigs aan de hand is in dat huis, verschillende verhalen heb ik al verzonnen die zich daar afspelen.

‘Er valt hier niets te zien.’ Als ik iemand dat hoor zeggen, dan blijf ik kijken. Het onzichtbare is interessanter dan het zichtbare, immers. Zelfs een raam met dichte gordijnen en verdorde planten in de vensterbank kan vermoedens oproepen. Zoals Baudelaire schrijft in zijn prozagedicht ‘De ramen’: ‘Wat men in het zonlicht kan zien, is altijd minder interessant dan wat zich achter een ruit afspeelt. In dat donkere of lichte gat leeft het leven, droomt het leven, lijdt het leven.’