De twee oudjes

Ik hou niet van verandering. Liever zie ik dat alles hetzelfde blijft. Natuurlijk is mijn angst voor verandering ongefundeerd, maar hetzelfde geldt voor het geloof in vooruitgang. Het bezeten tempo waarin de wereld naar vernieuwing streeft (en daarbij alles wat oud is afdankt) is minstens zo onredelijk als mijn verlangen naar stilstand.

Ik verbaas me als ik zie hoe de negentiende-eeuwse panden in mijn straat keer op keer verbouwd worden door nieuwe bewoners die het weer helemaal anders willen. God verhoede als er eens een stuk houtwerk afbladdert of een barstje verschijnt in een tegel; dat moet onmiddellijk hersteld worden. Niemand lijkt te beseffen hoe verstikkend het streven naar perfectie is.

In de Bloemstraat stonden jarenlang twee vervallen huisjes, zo scheefgezakt dat ze met dikke boomstammen overeind gehouden moesten worden. Net twee oudjes, zwaar leunend op stokken. Ik fietste er af en toe langs en dan keek ik met genoegen naar ze.

oud pand

Laatst zag ik dat ze er niet meer staan. De oudjes zijn blijkbaar afgebroken om plaats te maken voor nieuwe appartementen.

Ik vind dat jammer. Die huisjes schaamden zich niet voor hun leeftijd, ze lieten hun gebreken zien. De ramen waren dichtgetimmerd, de muren gebarsten, de kozijnen verrot. Niemand kon meer in ze wonen, totaal nutteloos waren ze, afgezien van het plezier dat ze me gaven. Ze trokken zich niets aan van hun leeftijdsgenoten in de straat, fitte senioren met strakke gevels. Ze zetten zich schrap tegen de makelaars en aannemers die de Jordaan van een volkswijk in een yuppenbuurt veranderen.

Waarom deed de aanblik van de huisjes me zoveel genoegen? Was het Huizinga’s ‘historische sensatie’ misschien, ‘het gevoel van een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot’? Ik meende als ik passeerde iets te ruiken van de vooroorlogse Jordaan, toen gezinnen met acht kinderen een krappe etage en één poepemmer moesten delen. Ik meende te zien hoe kinderen met vuile knieën op de stoep speelden, hoe de huisbaas aanbelde om een paar gulden huur in ontvangst te nemen. Geen verleden om sentimenteel naar terug te verlangen, dat besef ik.

Naast zulke historische sensaties voelde ik nog iets anders, iedere keer als ik langskwam – de melancholie die niet alleen zulke huisjes, maar ruïnes in het algemeen oproepen. Verweerde bouwwerken maken ons duidelijk dat geen enkele kunstmatige of natuurlijke vorm bestand is tegen de tijd; ook wijzelf zullen op den duur onze vorm verliezen. De ruïne is een ‘memento mori’ dat contrast biedt aan de levens- en vernieuwingsdrang die ons ademloos voortjaagt.

Wat bijdroeg aan de charme van de twee huisjes was dat ze niet in het plaatje pasten. Het plaatje dat in de rest van het stadscentrum wordt gepresenteerd, waar monumentale panden staan te pronken. De gerenoveerde gevels van die panden doen denken aan gefacelifte gezichten. Het is alsof ze bevroren zijn in een eeuwig heden. Het is vaker gezegd: het centrum van Amsterdam is een openluchtmuseum geworden. Alle architectuur wordt daar zo nauwgezet onderhouden dat er van een authentieke historische ervaring geen sprake meer kan zijn. Alles wat oud is, is tevens gloednieuw. Zo verandert Amsterdam langzamerhand in de reconstructie van een stad die nooit bestaan heeft.

Ik denk dat ik begrijp wat die twee oudjes mij wilden zeggen: dat verval zijn eigen schoonheid heeft.

(Fragment uit een work in progress)