Arthurs apocalyps

covers-arthurs-apocalyps

Het is 1999. De beurskoersen stijgen en nog niemand is bang. De Nederlandse student Arthur reist naar de Verenigde Staten. Daar ontdekt hij dat zijn jeugdvriend Onno tot een bijbelse sekte is toegetreden. Onno gelooft dat hij op de drempel staat van de apocalyps. Maar voordat het nieuwe tijdperk kan aanbreken moet eerst de oude wereld vernietigd worden.
Arthur probeert nuchter te blijven en ontrafelt een duister complot. De twee vrienden komen als vijanden tegenover elkaar te staan. Ook de wereld lijkt in twee kampen verdeeld. Leven staat tegenover dood, consumptie tegenover religie, beeld tegenover woord, macht tegenover onmacht. ‘Je wordt consument of terrorist. Dat is de keuze van deze tijd’, vat Arthur samen. Zal hij erin slagen om de vriendschap en de wereld te redden?
Arthurs Apocalyps is een beklemmende ideeënroman over vriendschap, esthetiek en terrorisme.

Over ‘Arthurs Apocalyps’ schreven de kranten:

‘Martijn Meijer blinkt uit in scherpe volzinnen en treffende observaties.’
De Gelderlander

‘Ik raad aan Arthurs apocalyps niet ongelezen te laten.’
NRC Handelsblad

Fragment uit Arthurs apocalyps:

 

Hoofdstuk 19.

Donkerbruine bakstenen huurkazernes. Vier verdiepingen hoog.
Brandtrappen zigzaggen.
Een zwarte vrouw hangt uit het raam. Beneden speelt een jongen met een hond.
In de verte zingt een sirene.
Een gescheurd basketbalnet. Gebroken glas. In het hoge gras stapels hout en ijzer. Aan de overkant een groepje met een bonzende radio. Langs de straat roestende auto’s met platte banden.
Ik was een kleine vis. Teruggegooid in de vijver. Niet de moeite waard om te vermoorden. Hoe beledigend was het dat Gordon me zomaar had laten gaan. Ik was haastig weggelopen, zijn ogen in mijn rug, dieper Logan Street in, de lome uren van de middag tegemoet.
Ik zweette. Likte mijn lippen en proefde zout.
In de schaduw van een boom stond een kiosk. Op de grond lagen stapels van The Washington Post, de Denver Post en de Rocky Mountain News. Het papier van de kranten leek al vergeeld.
Ik nam de Weekly Standard uit het rek en bestudeerde de foto op het omslag, van een meisje met blauwe ogen; helemaal het type van de cheerleader. Ze heette Cassie en was een van de leerlingen die op Columbine High was afgeslacht. Volgens het artikel was voor haar een speciale rouwdienst gehouden.
De zeventienjarige Cassie werd door een geestelijke tot ‘martelares’ uitgeroepen omdat ze, onder bedreiging van een vuurwapen, met een simpel ‘yes’ had bevestigd dat ze in God geloofde. Het foute antwoord blijkbaar: ze was doodgeschoten. Tijdens de rouwdienst hadden scholieren T-shirts gedragen met daarop haar laatste woord geschreven.
Martelaren voor het christendom waren zeldzaam. Dat verklaarde de hysterie die de geloofsgemeenschap in de greep hield. Velen voelden zich gesterkt en getroost door Cassie’s lot omdat ze daarin een hoger doel vermoedden. De kerken stroomden vol. Klasgenoten noemden haar een ‘voorbeeld’. Haar ouders verklaarden dat ‘it was for her strong faith in God and his promise of eternal life that she made her stand’. Een enkeling vroeg zich heimelijk af hoe men zeker kon weten dat dit meisje, geconfronteerd met de loop van het pistool, voor de voet van het kruis had gekozen.
Cassie was bijgezet in de ‘martyrs’ hall of fame’, zoals de geestelijke het formuleerde. Zelf kon ze daar niets meer tegenin brengen. Volgens de religieuze logica was Cassie’s korte leven geslaagd in de dood. God had haar ingezet voor Zijn werken, die zo dikwijls onbegrepen bleven. Op het moment dat ze ‘yes’ zei, had Hij had haar bij de hand genomen en door het dal der schaduwen geleid. Zij was slechts de eerste; overal wachtten jongeren zoals zij, dorstend naar het licht. Daar zaten meer potentiële martelaren tussen, die in de eindtijd hun bestemming zouden vinden. Niet alleen de jongeren, heel Amerika leefde in gelukzalige verwachting van de parousie, de resterende dagen en uren tellend.
Lichtelijk ontroerd keek ik nogmaals naar de foto van het meisje. De schietpartij waar ik al zoveel over had gehoord, nam eindelijk een concrete vorm aan. Ik stond oog in oog met een slachtoffer. Ik hield haar vast, zij was van papier, maar wat scheelde het? Haar lot was ook mijn lot, wij waren dezelfde, ook ik was voorbestemd om door demonische krachten vermorzeld te worden. De gesprekken van de afgelopen tijd kwam me nu belachelijk voor, alle grootschalige fantasieën over ondergang, vernietiging en de schapen die van de bokken gescheiden zouden worden. Alleen de persoonlijke ervaring telde.
Bij de kiosk kocht ik een flesje water en een reep. De chocola kleefde aan mijn verhemelte.

Na een korte wandeling stond ik op een kruispunt. Het leek me onverstandig in deze buurt mijn plattegrond tevoorschijn te halen. Rechtsaf dan maar, een winkelstraat in.
Hier verdrongen zich geen grote merken voor een gapend publiek. Ik passeerde een geblindeerde pornobioscoop, een slijterij met getraliede ramen. Daarnaast een lommerd en een 99 cent shop. In de etalage van Bobs Discount stonden televisies op elkaar gestapeld. De muur van beeldschermen vertoonde in zestienvoud de president, het volk toesprekend op het grasveld bij het Witte Huis.
Rechtse Amerikanen zagen Clinton als de antichrist. Zover wilde ik niet gaan. Ik bewonderde Clinton om zijn daadkracht maar vond zijn huichelarij verachtelijk; de man wrong zich in bochten om de geruchten over zijn affaire te ontzenuwen. Terwijl zijn reputatie als mannetjesdier steeg, daalde zijn aanzien als president. Een echte leider loog namelijk niet, hij deed er het zwijgen toe. Aan zijn minderen hoefde hij niets uit te leggen. Hij beschouwde zijn buitenechtelijke relaties als vanzelfsprekend: de erotische verovering behoorde tot zijn vingeroefeningen voorafgaand aan de politieke machtsuitoefening.
Ik probeerde de woorden van de president van zijn lippen af te lezen en naderde daartoe de etalageruit – niet zonder even opzij te kijken, of mijn moeder daar niet stond.
Zelfs geen schim. Haar waarschuwingen van vroeger sloeg ik in de wind. Ik zou mijn ogen verpesten om beter te kunnen zien wat zich in Washington afspeelde.
In mijn ouderlijk huis had de televisie hoog op zijn ijzeren poot mij de weg en de waarheid onderwezen. Kijken naar de televisie was veel vermakelijker dan het lezen van boeken waar je, als toppunt van armoede, zelf de beelden bij verzinnen moest. Het liefst kroop ik vlak voor het scherm, om me in de stralen te koesteren. Van enige funeste invloed had ik nog nooit iets gemerkt. De televisie beschouwde ik als mijn peetvader, aan wie ik mijn wereldwijsheid te danken had: alles wat ik meemaakte, ook nu weer in Amerika, had ik al eens eerder gezien, op televisie, zodat niets me meer verbaasde.
Nu zag ik Clintons gezicht van heel nabij. Normaal gesproken zouden de veiligheidsmensen nooit toestaan dat ik hem zo dicht op de huid zat. Mijn vingertoppen drukten op het glas; bijna kon ik hem aanraken.
Ik had eens een foto gezien waarop de jonge Bill Clinton een hand kreeg van president John F. Kennedy. Clinton droeg een wit sportshirt en stond tussen jongens van zijn leeftijd, oog in oog met de man die hij zelf zou worden. In die foto had ik het bewijs gevonden van het idee dat het niet de natuur was die willekeurige figuren bevoorrechtte met uitzonderlijke vermogens, maar dat de geschiedenis beschikte dat de grote mannen hun gaven aan elkaar doorspeelden. Lid zijn van een geheim genootschap of studeren aan een elite-universiteit, dat hielp je een eind op weg naar het hoogste ambt, maar belangrijker was dat de geschiedenis aan jouw kant stond. De geschiedenis had Clinton de hand gereikt in 1962 en hem een opdracht toebedeeld – in de persoon van president Kennedy, die de politiek beoefende als de kunst van het verleiden en precies dezelfde mengeling bezat van charme, intelligentie en overmoed die zijn latere opvolger zou kenmerken.
De etalageruit was gesmolten, mijn ogen waren aan de schermen verkleefd zodat niets mij meer scheidde van de president. Iemand botste tegen me op. Een zwarte jongen op witte schoenen. Ik wankelde, zocht mijn balans. Mijn ogen lieten niet los, geen moment. Ik moest het beeld vasthouden. Nog een black-out kon ik me niet permitteren.
Ik stelde me voor dat ik op een bescheiden manier deel zou hebben aan die presidentiële traditie. Kon ik niet stage gaan lopen in het Witte Huis en me tot de rechterhand van de president opwerken? In de nabijheid van een groot leider zou ik een ander mens worden. Zijn voorbeeld zou me naar verbetering doen streven. Door hem aangeraakt zou ik iedereen ontgroeien, alle vrienden die me klein wilden houden.
Niemand vond zichzelf uit. Je werd uitgevonden, nadat je ontdekt was en met aandacht opgekweekt. Iemand moest zich over je ontfermen. Zo ging het in de showbusiness en in de politiek. En zo was Onno onder Gordons handen opgebloeid. Opnieuw verwekt door zijn tweede vader had hij een wedergeboorte beleefd.
Ik wilde Onno in die transformatie evenaren, als ik hem niet kon voorbijstreven; zo was het altijd gegaan. Daarom riep ik Clinton uit tot mijn goeroe. Als zijn bastaardzoon, het ongelukje dat hij overhield aan een Europese reis, had ik recht op zijn voorspraak. Als zijn protégé kon ik het toneel van de geschiedenis betreden, vanuit de donkere zaal in het licht van de schijnwerpers. Maar eerst moest ik nog dichterbij komen. Zo dichtbij dat ik me aan zijn kracht kon opladen.
‘Arthur!’
De president sprak mijn naam uit. Ik trad naar voren uit de rijen, bereid om hem te dienen. Ik stond voor zijn aangezicht, zoals hij zelf voor Kennedy’s aangezicht had gestaan. Om het land van de ondergang te redden zou ik mezelf opofferen. Onze schuld aan Amerika zou in één klap afbetaald zijn.
De toespraak was afgelopen. De president liep met zijn vrouw en hond over het grasveld van het Witte Huis naar de presidentiële helikopter, de Marine One. Voordat ze instapten keerden ze zich nog eenmaal om naar de camera’s. Het echtpaar lachte en zwaaide; de hond lachte mee. Het volgende moment hing de helikopter in de lucht en werd snel kleiner, tot alle zestien televisieschermen blauw waren.

Nee. Ik wilde geen cultuurpessimist zijn. Cultuurpessimisten waren mompelende bedelaars. Liever optimist tegen beter weten in.
Alleen nog beelden. Geen woorden meer en geen boeken, hoogstens beelden met ondertitels. Beelden waren beter dan ervaringen: je kon ze retoucheren en reproduceren. Van beelden kreeg je nooit genoeg.
Het was te laat om nog verzet te bieden. Het aanvaarden, zelfs omarmen van de status-quo was de beste overlevingsstrategie. De karikaturale trekken van de Amerikaanse cultuur moesten voortaan serieus genomen worden: in de overdrijving lag haar triomf. Waarom zou je niet het grootste kruis ter wereld neerzetten in Texas of je als fastfoodbedrijf beroemen op de miljoenen hamburgers die je jaarlijks bakt? Wat was er tegen om je door een UFO te laten ontvoeren en een medisch onderzoek door buitenaardse wezens te ondergaan, of om ruzie te maken in een talkshow met je vriendin, die een transseksueel blijkt te zijn? Waarom niet, als het er allemaal zo dik bovenop lag?
De Amerikaanse cultuur was zwaarlijvig. De overdaad was de norm, zodat de norm nooit overschreden kon worden. Zonder veel vreugde gingen de Amerikanen zich te buiten, meer uit gewoonte dan uit een werkelijk verlangen. In ieder geval niet om vervulling te vinden.
Slechte smaak kon je het noemen, als je oordeelde naar de goede smaak, maar de goede smaak had het langgeleden afgelegd tegen de noodzaak om te consumeren. Consumeren moest je, desnoods zonder te verteren, met een verstopping als gevolg. Als er meer geconsumeerd werd, werd er meer geproduceerd; zo bleef de economie gezond. Waarom je druk maken over kwaliteit, als producten gefabriceerd werden om weggegooid te worden?
Het zou niet lang meer duren voordat we allemaal Amerikanen waren – de volgende stap in de menselijke evolutie.

In gedachten keerde ik terug naar de tijd dat ik nog studeerde en aan de zijde stond van de zuivere schoonheid en de heldere waarheid – en een doodenkele keer aan de zijde van de rechtvaardigheid, als het onrecht, rammelend met een collectebus, toevallig mijn esthetisch blikveld verstoorde. Ik dacht dat ik gebaat zou zijn bij meer schoonheid, waarheid en rechtvaardigheid. En niet alleen mijn leven zou in waarde stijgen. Het hoefde alleen maar tot de mensheid door te dringen dat zij in deze drie-eenheid, waarvan ik me de personificatie voorstelde als een vrouw, het tegengif kon vinden voor al haar morele ziekten; een overtuiging die ik natuurlijk alleen in theoretische zin koesterde, zonder dat ik de behoefte voelde kinderen uit achterstandsbuurten door het museum te leiden.
Toen ik me wat meer buiten mijn kamer begaf en met vrouwen van vlees en bloed verkeerde, liepen deze onderscheiden categorieën hopeloos door elkaar: de schoonheid leek een leugen, de waarheid was ronduit lelijk. De cultus van de vorm ervoer ik in toenemende mate als een narcoticum, bedoeld voor overgevoelige wezens. Ik zocht nu juist naar opwekkende prikkels en dacht die te vinden in het misvormde, het ruwe, het ordinaire en het afschuwelijke. Kortom, ik stelde mezelf bloot aan de verschijningsvormen van het lelijke, zoals ik die aantrof in volkskroegen, wachtkamers, winkelcentra en pretparken. Tot ik merkte dat zelfs in het lelijke een lauw behagen te scheppen viel. Was ik dan volslagen blasé geworden?
Nog krachtiger prikkels dan het lelijke leverde de daad die lelijk maakt. Het beschadigen van de schoonheid, niet uit domheid of onverschilligheid, maar met aandacht en precisie, zoiets was vanuit het oogpunt van moraal en esthetiek even onbegrijpelijk als afschuwelijk. Kon het lelijke langs omwegen nog esthetisch gesanctioneerd worden, de verminking vond echt buiten elke orde plaats. Dat was precies het verleidelijke van die daad: in een wereld van beelden bestond er geen plaats voor, en de dader verdoemde zichzelf voorgoed. Een ‘satanische verleiding’ kon je het noemen, want was de schoonheid niet een christelijke uitvinding, ter meerdere eer en glorie van God?
Het was dwaas om er achteraf een culturele betekenis aan te verbinden. Nee, wat sommige ruimdenkende cultuurfilosofen ook zeiden, het kapotsnijden van een Rembrandt kon geen performance-art zijn. Het was een aanval op betekenis, op traditie, op alles wat de beschaving nog overeind hield. Iedere blijk van erkenning zou door de kunstterrorist trouwens afgewezen worden: hij wenste zijn soevereiniteit alleen te bekrachtigen door het oogsten van haat.
Ik maakte een studie van iconoclasten door de eeuwen heen, een ondergrondse traditie die was begonnen met Herostratos. Deze burger van Ephesus had in 356 voor Christus de tempel van Artemis in brand gestoken, een van de zeven wereldwonderen. Volgens de historici zou Herostratos gehandeld hebben uit de zucht naar roem; daarom spraken ze ongaarne zijn naam uit en zagen ze hem het liefst als anonieme krankzinnige in het gesticht van de wereldgeschiedenis verdwijnen.
Niet roemzucht was Herostratos’ motief geweest, meende ik. Het was hem teveel geworden, de verstikkende schoonheid van de tempel en het standbeeld in het middelpunt: Artemis, godin van de vruchtbaarheid, uitgevoerd in goud, ivoor, zilver en graniet, verbeeld als een vrouw met tientallen borsten zonder tepels. De confrontatie met zo’n vrouwelijke overvloed deed bij iedere man de stoppen doorslaan. Er zat vast een element van waanzin in de daad van Herostratos – om zijn naam nog maar eens te noemen – maar het belang ervan was historisch en ging het lot van dit individu, bijna toevallig tot de uitvoering geroepen, mijlenver te boven. Want, en daar ging het om: de volmaakte schoonheid benauwde, evenals de volmaakte ordening, en riep haar eigen vernietiging over zich af. Een voltooide cultuur moest wel tenonder gaan.
Misschien stond tegenover elke kunstenaar wel een anti-kunstenaar, die het dagwerk ’s nachts weer ongedaan maakte?
Ik ontwikkelde me dus tot een anti-estheet, zonder de behoefte me aan kunstwerken te vergrijpen; de tegenhanger van de kunstterrorist. Ik scheurde mijn schoonheidsideaal aan stukken. Mijn streven naar zuiverheid had me allergisch gemaakt voor vuil en vatbaar voor virussen. Onzuiverheid moest me weer immuun maken. Voortaan zou ik een onbegrensd appetijt aan de dag leggen. Ik hoopte de wereld te aanvaarden als de best denkbare, zonder nog onderscheid te maken tussen mooi en lelijk, tussen kunst en amusement, tussen wijsheid en banaliteit. Het smaakoordeel was een luxe die ik me niet langer kon permitteren: deze tijd behoorde aan de omnivoor die zich al etend een weg door de cultuur baande. De fijnproever had het zo druk met keuren en weigeren dat hij dreigde de hongerdood te sterven.

De zestien televisies vertoonden nu een rouwdienst voor de slachtoffers van de schietpartij. Huilende scholieren en ouders, met bloemen en foto’s in hun handen, close-ups van behuilde gezichten. Buiten de kerk had zich een massa verzameld die waarschijnlijk nauwelijks een band had met de doden maar de gelegenheid aangreep om collectief verdriet te beleven; in tranen smolt men tot een gemeenschap samen, al was het maar voor even. Voordat ik een passende emotie kon vinden, beet een gelukkig gezin al in dampende stukken pizza. Iemand in de winkel moest als een bezetene aan het zappen zijn, want ik zag een slagman op de thuisplaat staan in afwachting van zestien ballen.
Of het een homerun werd, kwam ik niet te weten. Monica Lewinsky was te gast bij de Today Show; het meisje dat met haar mond de machtigste man aan het wankelen had gebracht. Monica droeg een koddig alpinopetje en keek me indringend aan. Zou haar blauwe jurk, met de zaadvlekken van de president erop, over tweeduizend jaar niet dezelfde status hebben als de lijkwade van Turijn? Dat zij van het schandaal een carrière had gemaakt (de filmrechten van haar biografie waren al verkocht voor een miljoen dollar) vervulde me met ontzag voor dit land, dat een zondares graag vergaf zolang ze het genoegen van een publieke boetedoening verschafte.
Ja, dit was werkelijk Gods own country. Het beloofde land van de Pilgrim Fathers, onze voorvaderen uit Leiden. Prompt verscheen een grijze televisiedominee, een blinde zegenend die op wonderbaarlijke wijze zijn zicht had teruggekregen, en vervolgens een bankrekeningnummer waarop je een gift kon storten. Het schakelen tussen de kanalen versnelde. Het domineesgezicht vloeide over in de compositietekening van een misdadiger, gezocht in dertien staten, waar toen weer de trekken van Robert de Niro doorheen drongen; de acteur bedreigde zichzelf voor de spiegel met een pistool.
Ik was een en al oog.
Een telefonisch te bestellen fitnessapparaat, gedemonstreerd door mannen en vrouwen met glimmend opgewreven lichamen.
Zap.
De coyote uit de Roadrunner-tekenfilm stortte in een ravijn. In het zand liet hij een perfect silhouet achter.
Zap.
Een worstelaar met een rode kop schreeuwde om wraak.
Zap.
Het rad van fortuin kreeg een slinger.
Zap.
Het weerbericht beloofde eeuwig zon.
Pas toen ik een politiewagen in achtervolging zag, live-beelden vanuit een helikopter, en tegelijk achter me een sirene hoorde loeien – een melodie zo opzwepend als het volkslied – was ik in staat me los te rukken van de televisies en me om te draaien. Een heuse politiewagen scheurde naar de hoek van de straat. Van alle kanten kwamen mensen aangerend.
Het was moeilijk weerstand te bieden, als de actualiteit zich aanbood. In de actualiteit hervond ik mijn betrokkenheid. Ik niet alleen. Opwinding straalde van de gezichten. Alle bewegingen waren geladen. We waren met een schok ontwaakt.
Ik stapte in een rode plas. Een plas bloed, of verf, of soep – of alledrie tegelijk. Een spoor van rode spetters leidde me naar de hoek van de straat. Daar stond de politiewagen geparkeerd, alleen het zwaailicht nog aan.
In de goot lag een lichaam, bedekt met een wit laken. Een plukje kroeshaar stak boven het laken uit. Wat zwart was, werd wit gemaakt. Licht flitste. Een fotograaf fotografeerde het lichaam uit alle hoeken. Ernaast stond een politieman met een kartonnen koffiebeker in zijn hand. De portofoon aan zijn riem braakte een stroom van onverstaanbare mededelingen.
Ik werd opgenomen in de menigte die in een halve kring om het tafereel stond, alleen door een geel lint ervan gescheiden. Er hing een dubbelzinnige sfeer, alsof met moeite een gretige blijdschap onderdrukt werd; bij sommigen vermoedde ik een kannibalistisch verlangen om alle details te verslinden, het laken van het lijk af te rukken en de wonden te bekijken. Zelf was ik ook niet geheel zuiver in mijn aandoening, want behalve geschokt voelde ik me opgetogen dat er iets ergs gebeurd was, juist hier waar ik me bevond. Dat er iets ergs gebeurd was verleende urgentie aan mijn bestaan, hoewel ik niet meer kon doen dan de omstander spelen, die machteloos toeziend voor het dramatisch reliëf zorgt. Enkele vrouwen begonnen al te kermen.
De algemene opwinding was werkelijk algemeen. In de menigte deelden we allemaal dezelfde innerlijke ervaring. Ieder gelaat weerspiegelde mijn diepste roerselen. We zagen niet alleen hetzelfde tafereel, ook de indruk die bij ons achterbleef was identiek: het perfecte silhouet van een lijk.
Het idee dat er onder gelijke omstandigheden toch een individuele beleving bleef bestaan, die het unieke van de mens uitmaakte, dat idee was volkomen achterhaald. Het project van beschaving, als democratisering beschouwd, het elimineren van verschillen dus, vereiste ook een psychische standaardisering. De mensheid was op weg naar dezelfde ervaringswereld, en wij op de hoek van de straat vormden de voorhoede van deze revolutie. De overeenstemming van consumptiepatronen, de eerlijke verdeling van goederen en kennis, was slechts de buitenkant van die veel belangrijker ontwikkeling. Hoe groot zou niet het wederzijds begrip zijn als ook alle ervaringen werden gedeeld!
Ik hoorde het geratel van een helikopter boven me. Dat was de president met vrouw en hond. Ik zwaaide. Kwam hij me ophalen?
De televisiecamera’s arriveerden en begonnen opnamen te maken. De menigte herademde. Enkelen drongen zich naar voren, in de hoop dat een journalist ze om commentaar zou vragen.
‘Hebt u gezien hoe het gebeurd is?’
‘Ja, ik heb het gezien. Ik was erbij.’
’s Avonds zouden ze zichzelf terugzien op het lokale nieuws. Ze zouden wijzen naar het scherm en dan wijzen naar zichzelf, schreeuwend: ‘Daar sta ik! Ik was erbij!’ En niemand zou het ze meer af kunnen pakken, het verhaal van iemand die erbij was geweest.
Het lijk werd op een brancard getild en weggedragen zonder haast. Het ontging niemand dat de gymschoenen die onder het laken uitstaken smetteloos wit waren, gloednieuw. Iedereen dacht er hetzelfde van: dat het toch zonde was.
Ik stak mijn hand in mijn borstzak. Het aardappelmesje. Voorzichtig haalde ik het tevoorschijn. Er kleefde bloed aan het lemmet. Het zwarte bloed van de jongen op gympen?
Ik herinnerde me dat iemand tegen me was opgebotst toen ik voor de etalage stond, verdiept in de beelden van de president. Had die jongen soms verzuimd zijn excuses aan te bieden? Had ik het respect opgeëist dat hij mij verschuldigd was?
Ik wist het niet meer. Ik zag voor me hoe ik het schilmesje pakte, mijn arm strekte en de punt onder de kin van de jongen prikte; maar niet als een gebeurtenis waar ik deel aan had, eerder als iets dat zich op een scherm afspeelde. Ik had toegekeken terwijl er een misdaad werd begaan, getuige en dader tegelijk. Hoe het zich had voltrokken kon ik me niet herinneren. In ieder geval was ik er met mijn gedachten niet bij geweest toen ik met één haal zijn halsslagader had opengesneden. Mijn hand was Gordons hand geweest, zijn wil had mijn wil verdrongen; Gordon de grote poppenspeler.
Zwart werd rood. De jongen was leeggebloed als een offerlam tijdens de rituele slacht. Zwart werd wit. De beelden zouden morgen uigezonden worden en verdeeldheid zaaien door het hele land. De zaak Rodney King was er niets bij. Het begin van de rassenoorlog. Allemaal volgens Gordons plan.
De zwarte legers verzamelden zich aan de horizon, aangevoerd door de vier ruiters van de Apocalyps.
Ik kreeg geen adem meer. Ik stond stijf rechtop als een paspop, het mesje in mijn vuist. In mij draaide zich iets om. Mensen kantelden als kegels. Gebouwen zakten in elkaar. De hemel werd donker en helikopters explodeerden, maar ik bleef op mijn post in de houding staan, de laatste soldaat voor een verloren zaak.
Zap.