Stadsgezichten. Amsterdamse verhalen

Wandelen in mijn hoofd

Laatst liep ik op straat, diep in gedachten, en botste tegen iemand aan die stilstond. Ik schrok op en maakte mijn excuses om daarna weer in mezelf te verzinken. Ik bedacht dat ik niet in de stad wandel, maar in mijn hoofd; Amsterdam is een mentale ruimte voor mij. Alles wat op mijn pad komt, is voedsel voor mijn gedachten. Zo wordt mijn denkwereld steeds groter en de buitenwereld steeds kleiner.

pexels-photo-764880Er bestaat een verschijnsel dat me in een klap terugbrengt in de realiteit. Mijn gedachten vallen stil als ik de sierlijke lijnen zie van een mooie vrouw die op me af komt lopen. Het is bekend dat een man in zo’n geval verandert in een idioot die zo’n vrouw met open mond nakijkt; blijkbaar is het met mij niet anders gesteld. Als ze uit het zicht verdwenen is, komt de machinerie van het denken weer op gang. Door die vluchtige ervaring te analyseren, herstel ik van de schok. Het vreemde wezen dat mijn bewustzijn dreigde te verstoren, wordt zo ingelijfd en onschadelijk gemaakt; alles wat onbegrijpelijk aan haar is, lost op in mijn rationaliteit.

Mijn notitieboek is de voortzetting van dit proces, hier worden de indrukken ik gedurende de dag verzamel omgezet in taal. De teksten die ontstaan, geven me het gevoel dat ik de wereld begrijp en in zekere mate beheers. Ook hierin ben ik niet uniek, besef ik, iedereen vertelt verhalen tegen zichzelf; als we dat niet zouden doen, zou de realiteit uiteenvallen in fragmenten zonder betekenis.

Mensen die hardop in zichzelf praten, worden meewarig bekeken. Maar zo gek zijn ze niet: ze laten alleen zien wat wij voortdurend in stilte doen, in ons hoofd, om de schijn van redelijkheid in stand te houden.

De twee oudjes

Ik hou niet van verandering. Liever zie ik dat alles hetzelfde blijft. Natuurlijk is mijn angst voor verandering ongefundeerd, maar hetzelfde geldt voor het geloof in vooruitgang. Het bezeten tempo waarin de wereld naar vernieuwing streeft (en daarbij alles wat oud is afdankt) is minstens zo onredelijk als mijn verlangen naar stilstand.

Ik verbaas me als ik zie hoe de negentiende-eeuwse panden in mijn straat keer op keer verbouwd worden door nieuwe bewoners die het weer helemaal anders willen. God verhoede als er eens een stuk houtwerk afbladdert of een barstje verschijnt in een tegel; dat moet onmiddellijk hersteld worden. Niemand lijkt te beseffen hoe verstikkend het streven naar perfectie is.

In de Bloemstraat stonden jarenlang twee vervallen huisjes, zo scheefgezakt dat ze met dikke boomstammen overeind gehouden moesten worden. Net twee oudjes, zwaar leunend op stokken. Ik fietste er af en toe langs en dan keek ik met genoegen naar ze.

oud pand

Laatst zag ik dat ze er niet meer staan. De oudjes zijn blijkbaar afgebroken om plaats te maken voor nieuwe appartementen.

Ik vind dat jammer. Die huisjes schaamden zich niet voor hun leeftijd, ze lieten hun gebreken zien. De ramen waren dichtgetimmerd, de muren gebarsten, de kozijnen verrot. Niemand kon meer in ze wonen, totaal nutteloos waren ze, afgezien van het plezier dat ze me gaven. Ze trokken zich niets aan van hun leeftijdsgenoten in de straat, fitte senioren met strakke gevels. Ze zetten zich schrap tegen de makelaars en aannemers die de Jordaan van een volkswijk in een yuppenbuurt veranderen.

Waarom deed de aanblik van de huisjes me zoveel genoegen? Was het Huizinga’s ‘historische sensatie’ misschien, ‘het gevoel van een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot’? Ik meende als ik passeerde iets te ruiken van de vooroorlogse Jordaan, toen gezinnen met acht kinderen een krappe etage en één poepemmer moesten delen. Ik meende te zien hoe kinderen met vuile knieën op de stoep speelden, hoe de huisbaas aanbelde om een paar gulden huur in ontvangst te nemen. Geen verleden om sentimenteel naar terug te verlangen, dat besef ik.

Naast zulke historische sensaties voelde ik nog iets anders, iedere keer als ik langskwam – de melancholie die niet alleen zulke huisjes, maar ruïnes in het algemeen oproepen. Verweerde bouwwerken maken ons duidelijk dat geen enkele kunstmatige of natuurlijke vorm bestand is tegen de tijd; ook wijzelf zullen op den duur onze vorm verliezen. De ruïne is een ‘memento mori’ dat contrast biedt aan de levens- en vernieuwingsdrang die ons ademloos voortjaagt.

Wat bijdroeg aan de charme van de twee huisjes was dat ze niet in het plaatje pasten. Het plaatje dat in de rest van het stadscentrum wordt gepresenteerd, waar monumentale panden staan te pronken. De gerenoveerde gevels van die panden doen denken aan gefacelifte gezichten. Het is alsof ze bevroren zijn in een eeuwig heden. Het is vaker gezegd: het centrum van Amsterdam is een openluchtmuseum geworden. Alle architectuur wordt daar zo nauwgezet onderhouden dat er van een authentieke historische ervaring geen sprake meer kan zijn. Alles wat oud is, is tevens gloednieuw. Zo verandert Amsterdam langzamerhand in de reconstructie van een stad die nooit bestaan heeft.

Ik denk dat ik begrijp wat die twee oudjes mij wilden zeggen: dat verval zijn eigen schoonheid heeft.

Het laatste gezicht. Over een dodenmasker

Op een website over dodenmaskers, met de titel ‘Het laatste gezicht’, las ik het verhaal over L’inconnue de la Seine, een meisje dat ergens rond 1900 (volgens sommigen rond 1880) op 16-jarige leeftijd verdronken was in de rivier, ergens bij de Quai du Louvre in Parijs. Waarschijnlijk had ze zelfmoord gepleegd, op haar lichaam werden geen sporen van geweld aangetroffen. Omdat haar identiteit nooit achterhaald is, is ze altijd de ‘onbekende van de Seine’ gebleven en zo wordt ook het dodenmasker genoemd dat van haar gezicht is gemaakt.

Incon

Volgens de legende werd deze Franse Ophelia opgebaard in een Parijs mortuarium, tegelijk met andere lijken die geïdentificeerd moesten worden. Een jonge assistent-patholoog was zo onder de indruk van haar schoonheid en haar glimlach dat hij een gipsmasker van haar gezicht maakte. Kopieën van het masker waren in de jaren twintig en dertig geliefd, vooral bij schrijvers en kunstenaars. Er werden heel wat gedichten en verhalen geschreven over het onbekende meisje, alsof juist het gebrek aan feiten de verbeelding in gang zette.

‘Haar gezicht was als een Rorschachvlek, degenen die ernaar keken konden er elk gewenst gevoel in projecteren’, schrijft A. Alvarez in zijn studie over zelfmoord, De wrede god. ‘En evenals bij de Sfinx en de Mona Lisa lag de macht van de Inconnue in haar glimlach – subtiel, vol vergetelheid, vol belofte van vrede.’

Schrijvers hebben allerlei eigenschappen toegekend aan de glimlach op het masker – vredig, raadselachtig, bedrieglijk, verstild, extatisch, dromerig. Albert Camus had het over ‘de glimlach van een verdronken Mona Lisa’, Maurice Blanchot schreef dat haar glimlach zo ontspannen leek dat ‘je wel moest geloven dat ze stierf op een moment van extreem geluk’. Alfred Döblin vond haar glimlach ‘zoet’: ‘Geen glimlach van vervoering, maar van naderend genot, een verwachtingsvol glimlachen…’ Hij schrijft ook: ‘De Onbekende nadert een geluk.’ Dat geluk is de aangename dood. Döblin noemt het gezicht ook ‘verleidelijk’, niet omdat het een erotische uitstraling heeft, maar vanwege de belofte van een heerlijke doodsslaap. Zo’n interpretatie zegt vooral veel over de schrijver.

Meer mensen die het leven moe waren, vonden in de glimlach de belofte van een pijnloze dood. Alvarez: ‘Niet alleen was zij van alles verlost, bevrijd van alle moeilijkheden en verantwoordelijkheden, zij had bovendien haar schoonheid behouden.’ Vandaar dat er een cultus rond de Onbekende kon ontstaan die aanhang vond onder sensitieve jongeren, schrijft Alvarez, jongeren die vreesden dat ze het volwassen leven niet aankonden. In hun ogen was de Onbekende ontsnapt aan de eisen van het bestaan. Ze was de schone slaapster die nooit meer wakker zou worden.

In een levenloos gezicht kan iedereen lezen wat hij wil, zoals we ook de foto’s die een dode achterlaat naar believen kunnen interpreteren. Zo zijn op het gelaat van de Onbekende allerlei gevoelens en ideeën geprojecteerd die niets met het meisje te maken hebben dat ooit verdronk in de Seine. Haar dodenmasker is werkelijk een masker, losgemaakt van het oorspronkelijke gezicht, zodat het door iedereen opgezet kan worden.

Eigenlijk was haar gezicht al eerder een masker geworden, toen zij in het mortuarium lag en de jonge assistent-patholoog bekoorde met haar glimlach. Die glimlach was verstard en de ogen spraken niet meer. Wat zegt zo’n laatste gezicht nog over de drager ervan, die niet langer aanwezig is? Goethe vond de dood een ‘zeer middelmatige portrettekenaar’. Hij wilde liever de ‘levende vormen’ behouden en liet daarom bij zijn leven een gipsafdruk van zijn gezicht maken. Maar die ziet er niet levendiger uit dan een dodenmasker; vandaar dat in de literatuur vaak abusievelijk over ‘het dodenmasker van Goethe’ wordt gesproken.

Elk portret, hoe sprekend ook, is een dodenmasker. Zonder twee ogen die je aankijken, vertelt zo’n masker weinig over de persoon die het levenslang gedragen heeft.